Terug naar de hypnosebibliotheek
©Johan Eland
Spiritisten zijn vindingrijk in het verzinnen van hulpmiddelen om geesten behulpzaam te zijn bij het doorgeven van hun boodschappen.
Automatisch tekenen, schilderen, componeren maar ook fotograferen en geluidsopnamen zijn hiervoor gebruikt. Toch is automatisch schrijven het populairste. Met lei en griffel of potlood en papier, alles dat schrijven kan, is aangegrepen om de mededelingen uit het dodenrijk op te tekenen.
Veel wetenschappers onderzochten het automatisch schrift om bewijzen te vinden van geestencommunicatie of juist om aan te tonen dat de spiritisten de zaak bezwendelen.
Een derde verklaring is dat de boodschappen uit dodenrijk ‘alleen maar’ voortkomen uit het onbewuste van spiritisten. Dát nu is koren op de molen van kunstenaars én psychotherapeuten.
EERSTE TOONEEL.
Vandewal, (alleen, in mijmering.)
(Met den rug naar de deur gekeerd, zit hij in eenen wijden zetel bij de tafel en blikt met gespannen aandacht op een vel papier waar zijne rechterhand, van een potlood voorzien, beweegloos op neêrligt.)
Niets…..geene de minste beweging in mijne hand…(Hij ziet op de pendule) Negen uren reeds. Ziedaar dan al een geheele uur, dat ik, met een vast geloof en eenen ijzeren wil, het potlood op het papier houd en nog geene enkele letter, nog geen het minste geestje dat mijne hand eens komt bewegen. (Hij legt het potlood neder en komt naar voor.) En toch ben ik stellig overtuigd dat er met de zielen der afgestorvenen onderhandeling mogelijk is. Ik heb het gezien, gezien met mijne eigene oogen. Ik heb zonder de minste moeite en achteloos eene reeks handteekens van afgestorven vrienden zoo juist zien schrijven, dat er geen het minste verschil met de origineele kon opgemerkt worden…(Uit: Jos v.d. Branden, ‘Spiritisme’, 1865, Tooneelspel met zang in een bedrijf)
Over wilde volken en een pantoffel….
In 1919 organiseerde de Vereeniging voor Psychisch Onderzoek en Toegepast Magnetisme een tentoonstelling van kunst gemaakt door kinderen, kunstenaars, geesteszieken en ‘wilde volkeren’.
Als overeenkomst zag de vereniging de onbewuste uitingen en trance–kunst.
Niet zo simpel meende het weekblad ‘De Amsterdammer’. Volgens de recensent kon je eigenlijk alleen bij sommige kinderen en geesteszieken praten van onbewust. Het werk van kunstenaars en van wilde volken is dat zeker niet: “De ,,wildheid” van Balineezen en Maleiers, bovendien, is nog maar zeer betrekkelijk, het zijn volken met een ontwikkelde eigen beschaving..” Deze volkskunst lijkt wel naïef maar is vol van traditionele vormen en symbolen dus die hoort er eigenlijk niet bij.
Toch wil de weekbladmedewerker best aannemen dat sommige van de tentoongestelde werken deels in trance gemaakt zijn al was het maar dat de ‘bewustheid’ nu eenmaal moeilijk te controleren is.
Blijven over de kunstproducten van kinderen en geesteszieken. Daar moet je ook onderscheid in maken meent de weekbladredacteur. Je hebt er prachtige tekeningen bij die juist omdat ze zo perfect zijn weinig waarde hebben voor de kennis van het onbewuste. Zo zijn er bijvoorbeeld een paar portretten en een tekening van een pantoffel door een 14 jarige jongen die zeer origineel en talentvol zijn en getuigen van een zeldzame gevoeligheid en waarneming. Ook zijn er schilderijen van een 14-jarige boerenjongen uit Bergen die van kleur, licht en ordonantie voortreffelijk zijn maar zeer verwant zijn aan het werk van een paar bekende schilders uit Bergen die de maker zeker gekend moet hebben. Dit alles is zeker kunst van jonge mensen erkent de schrijver maar uit niets blijkt dat ze onbewust of zelfs maar ‘onbevangen’ gemaakt is.
Interessanter vindt de schrijver zijn in dat opzicht “andere teekeningen, zooals die van een klein meisje, dat mystieke koppen, fijn en teer bewerkt, teekende, die aan het werk van Khnopf doen denken, maar eigenlijk zuiverder zijn, of die van het zieke jonge meisje, dat een soort droomen in beeld bracht, in het bijzonder volmaakt geteekende figuren, onder meer een gestalte op een paard, dat een eindelooze brug betreedt. Of van den armen krankzinnige, die zoo scherp gekarakteriseerde, innig aandoenlijk koppen van lotgenoten teekende, en, toen het potlood (want zelfs daarmee verwondde hij zich) hem werd ontnomen, silhouetten ) gelijkend naar het schijnt) scheurde uit couranten…”
De redacteur van de Amsterdammer eindigt zijn verslag met erop te wijzen hoe belangrijk het is dat opvoeders de intuïtie van kinderen niet te onderdrukken.
Met geen woord meldt hij of zij waar het de organisator van de tentoonstelling werkelijk om ging.
Des te meer lezen we over dit soort tentoonstellingen in de tijschriften van spiritisten.: ‘Stemmen uit Hooger Wereld van J.J. van Broekhoven, Op de grens van twee werelden’ van Elise van Calcar en natuurlijk het toonaangevende tweewekelijks blad ‘Het toekomstig leven’. Zij schrijven geregeld over kunst die gemaakt is met de hulp van doden, ook wel mediamiek kunst genoemd. In januari 1922 legt de schrijver en arts Frederik van Eeden in de ‘Groene Amsterdammer’ aan de hand van een foto van een in trance verkerend medium uit hoe dat in zijn werk gaat. Het medium op de foto is ‘onder nauwlettend toegezicht, met de handen vastgehouden door een der onderzoekers, in helder wit licht gefotografeerd’. Van Eeden wijst op de witte massa op de kin van het medium. De onderzoekers zien het tijdens de trance verschijnen en het bij het ontwaken spoorloos verdwijnen. Van Eeden: ‘Welligt valt het nog niet dadelijk den lezer in ’t oog, maar bij nader beschouwen ziet men dat die witte massa een gelaat heeft, met neus en oogen – en met een vage, droomerige, spotachtige expressie, die door den kundige in mystieke zaken terstond wordt aangevoeld als te zijn, démonisch’. Volgens van Eeden is dit verschijnsel niet materieel wetenschappelijk te verklaren. Van Eeden: “… Wij bespeuren hier de werking van een wil, een leevend weezen dat iets tot ons wil zeggen, al is het een weezen van lager orde.”
Van Eeden begrijpt dat de expressie van het witte gelaat voor meeste mensen eng en griezelig is en de Christelijk-geloovige zal spreken van démonen-werk.
Vooral dat laatste schiet in het verkeerde keelgat van Van Broekhoven van het blad ‘Stemmen uit Hooger Wereld’. Hij wijst er op dat het contact met de geest van overledenen duizenden tot troost en bemoediging heeft gestrekt: “Zooals gij het spiritisme nu hebt behandeld, laadt gij den schijn op U, bij Uw kerk een plasdankje te willen halen, iets dat uitermate onmannelijk is. Met dit laatste verwijst Van Broekhoven naar de intrede door Van Eeden in de Katholieke kerk. Daarvoor schreef Van Eeden positiever over het spiritisme en riep hij op tot serieus onderzoek. De RK-kerk moest van het spiritisme echter weinig hebben en Van Broekhoven vermoedt dat Van Eeden het spiritisme nu demonisch noemt om bij de kerk in een goed blaadje te komen.
Zoals de geesten het witte ectoplasma in beweging zetten leiden ze de handen van de kunstenaars bij het schrijven, tekenen en schilderen. Talloze romans, gedichten en muziekcomposities zijn gemeld die afkomstig zouden zijn van Charles Dickens, E.A. Poe, Victor Hugo, Emile Zola, Robert Schumann, Beethoven en Mozart.
Toch was het automatisch schrift niet alleen interessant om berichten van beroemdheden te ontvangen.
Honderdduizenden waren minstens zo belangstellend naar het wel en wee van overleden familieleden en vrienden, maar meer nog wilden ze van de geesten antwoord op levensvraagstukken.
Hoe groot die belangstelling was blijkt uit de oprichting van ‘Bureau Julia’, in Engeland door de journalist W.T. Stead (1849–1912). ‘Bureau Julia’ was bedoeld om het overleven van de geest na de dood te bewijzen en de geesten te helpen bij een geestelijke wederopstanding.
Daarnaast kon men, tegen betaling, een seance en berichten van overleden dierbaren bij Stead bestellen.
Frederik van Eeden zelf blies ook zijn partijtje mee. Aanvankelijk probeerde hij objectief en wetenschappelijk te werk te gaan maar later, na het overlijden van zijn zoon Paul, werd hij allengs meer een kritiekloze gelovige en zag hij , zoals bij alles dat hij ondernam, voor zichzelf een belangrijke rol weggelegd. Niemand minder dan Jezus Christus, die Van Eeden hele boeken dicteerde.(Jezus leer en verborgen leeven, 1919) en ‘Uit Jezus oopenbaar leeven’,1922)
Ook de geesten van Nederlandse dode kunstenaars en schrijvers lieten zich niet onbetuigd. Bilderdijk, Multatuli, Vondel, Cats en van Maurick gaven van tijd tot tijd berichten door.
De Zeeuwse predikant Martinus Beversluis (1856-1948) was een bekend medium.
Hij schrijft: "Het is mij eens gebeurd dat een geest, die beweerde Jacob Cats te zijn, door mijne hand eenige versregels neerschreef, waarvan ik het zinsverband onder het schrijven niet begreep, doch die tenslotte bleken een zeer goeden zinsbouw te vormen. Al schrijvend dacht ik: 'Hoe moet die zin terechtkomen?' Maar
zij kwam zeer goed terecht. De geest wist dus zeer goed wat hij schreef, al begreep ik niet waar hij heen wilde. De bedoelde versregels luidden aldus:
,,'k Heb lang in duisternis en schaduw doorgebracht,
En voor mijn arme ziel was 't steeds stikdonkre nacht.
Maar God zij lof en dank! Zijn licht brak door 't duister
En slaakte van mijn ziel de droeve zondekluister.
Nu leef ik Hem ter eer, die eenmaal voor mij stierf.
En aan zijn bloedig kruis het leven mij verwierf.
O mocht ik mijne ziel mijn Schepper en mijn Vader,
Tot Wien ik, arme man, in diepen ootmoed nader,
Voor eeuwig wijden tot een offer, Hem ter eer,
Opdat ik immermeer moog' leven voor den Heer."
De spiritistische verenigingen gebruikten die kunstproducten graag om hun overtuiging kracht bij te zetten in hun tijdschriften en tentoonstellingen. Nog in 1934 toonde de Amsterdamse Broederschap van Arbeiders Spiritualisten ‘Nieuw Leven” in het Spiritistisch Museum in de Kerkstraat 200 ‘…foto’s , schilderstukken, teekeningen, knipsels, geknoopte doekjes, handschriften en gedichten, alles langs mediamieken weg verkregen…”
Ondanks de perfecte organisatie was de belangstelling matig. Het ‘Toekomstig Leven’ betreurde het dat de plaatselijke bladen geen persberichten hadden opgenomen.
H
et was een teken van de onverbiddelijke neergang van de spiritischte beweging. Te weinig harde bewijzen, te veel onderlinge discussie en versnippering hielpen niet mee het spiritisme te verdedigen tegen de wetenschappelijke vorderingen in het hypnotisme en de psychiatrie met belangrijke wapenfeiten als Janet’s studie naar de automatismen en de meervoudige persoonlijkheid. Vooral de opstomende psychoanalyse was een nagel aan de doodskist van het spiritisme. Zij maakte immers het grote publiek met vlag en wimpel bekend met het onbewuste, waarmee datgene verklaard werd dat de spiritisten toeschreven aan ‘andere zijde’.
Die discussie duurde een paar jaar. Niet alleen waren er voor- en tegenstanders van de spirititische en de onbewuste- theorieën. Ook allerlei tussenoplossingen werden bedacht.
Zo ook door F.W.H. Myers. Hij was een van de belangrijkste onderzoekers van parapsychologische verschijnselen van de 19e eeuw en de grondlegger van de Society for Psychical Research. Daarnaast was hij dichter en werd hij door velen gezien als een van de belangrijkste psychologen van zijn tijd.
Myers onderzocht het automatisch schrijven om te zien of er inderdaad invloed van gene zijde was. Hij concludeerd in 1884 dat in de meeste gevallen de ‘automatisch’ verkregen boodschappen het product zijn van het onbewuste. En zelfs al zijn ze echt niet terug te voeren tot het onbewuste dan is het volgens Myers hoogst onwaarschijnlijk dat geesten van doden er de hand in hebben gehad. In dat geval is het volgens Myers aannemelijker dat er telepatie in het spel is.
Ook in Nederland geven de spiritisten zich niet zomaar gewonnen. Als in 1903 professor Jelgersma zijn ‘Het hysterisch stigma’ publiceert valt dat bij veel spiritisten niet in goede aarde. Ene Dr. A. oordeelt in Het Toekomstig Leven (1904) dat de beschouwing door Jelgersma van het somnambulisme bedroevend is. Volgens Dr. A. blijkt hieruit maar weer eens hoe ‘….volslagen de onkunde is die er onder de academische geleerden hier te lande heerscht ten opzichte van de zeldzamere verschijnselen van het somnambulisme en de daaraan nauw verwante richting, die men spiritisme heeft genoemd. Dat de grote massa een verkeerde voorstelling van zaken heeft kan de schrijver nog wel begrijpen. Immers de kranten die juist licht zouden moeten brengen, geven willens en wetens een verkeerde voorstelling van zaken. Maar deze onwetendheid van mensen en wetenschappelijke naam vindt hij niet te verontschuldigen. Hoort maar eens wat de Leidsche professor zijn lezers over automatisch schrijven sprekend, vertelt: ,,De oude Fransche clinici spreken er herhaaldelijk over en Janet behandelt het uitvoerig. Verder is het aan de Spiritisten bekend. Deze beschouwen de dingen, die daarin medegedeeld worden als berichten uit de geestenwereld en hechten er groote waarde aan.” Ja – misschien zijn er onder hen, die dat doen, schampert HTL, maar meent prof. J. nu dat de geleerden en ontwikkelden onder hen dat doen, dan bewijst hij daarmede hun geschriften niet gelezen te hebben. Er zijn medici te over – de schrijver erkent het zelf – die de hysterische verschijnselen nog beschouwen en behandelen als kunsten van den patient. Maar zou hij zich door hen, die meenen tot oordelen bevoegd te zijn, in één adem genoemd willen hebben met dezulken? Wij mogen een man als prof. J. niet van kwade trouw betichten, vooral niet in een wetenschappelijk betoog, en moeten dus concludeeren dat Z.H.Gel*. onbekend is met de vaak lichtvaardige toepassing eener theorie van dat wonderding in den mensch, dat spiritisten en niet-spiritisten het onbewuste genoemd hebben, tot verklaring van den inhoud van veel z.g. automatisch geschrijf.”
Jelgersma zegt in zijn boekje dat de merkwaardigste eigenschap van het somnambulisme is dat er geen herinnering bestaat voor het gehele leven van de patiënt. Dit nu roept ook de toorn op van HTL.: “Uit deze phrase moet men wel afleiden dat de schrijver nooit met een meer dan gewoon begaafde sensitieve heeft geëxperimenteerd, noch spontane verschijnselen bij dergelijken heeft waargenomen. Het kenmerk van een medium wiens gedachten-associatie, om zoo te zeggen, is afgesloten (niet alleen verstoord) is juist dat hij in trance zijn verleden is vergeten en daarmede dus zijn zelfbewustzijn heeft verloren.
Automatisch schrift
Het spiritisme had het dus zwaar te verduren. Zoals de spiritsten hun trance-kunstenaars hadden als bewijs van hun contact met geesten kreeg de psychoanalyse haar eigen kunststromingen die hun inspiratie haalden uit het onbewuste. De belangrijkste kunststromingen die tijdens de neergang van het spiritisme opbloeiden waren het da-da-isme en het surrealisme.
Deze kunstenaar maakten zulke absurde en bizarre kunst dat het voor ieder duidelijk was dat zelfs zoiets geks als ‘gene zijde’ ook wel eens zou kunnen voortkomen uit dat onbewuste. Bovendien gebruikten de kunstenaars die zich beriepen op het onderbewuste dezelfde hulpmiddelen als de spiritistische kunstaars: hypnose en automatisch schrift.
Da-Da
Tussen 1916 en 1920 trekt vooral het Da-Da-isme de aandacht. Het is een internationale culturele beweging die begint tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zürich in het neutrale Zwitserland en zich bezig houdt met beeldende kunst, poëzie, theater en grafisch ontwerp. De DA-Da-isten wijzen het opzettelijk irrationele en de algemeen geaccepteerde standaarden in de kunst af.
Ze houden geïmproviseerde bijeenkomsten waar bizarre en absurdistische kunsten worden gepresenteerd: gedichten met alleen geluiden, nonsensgedichten, manifesten die de gevestigde waarden aanvallen, sirenes, vreemde geluiden en het gechoqueerde publiek krijgt beledigingen naar het hoofd geslingerd.
Net zoals de psychoanalyse is de Dada-beweging ook maatschappijkritisch. De grote oorlog (Eerste wereldoorlog) loopt vast in een hopeloze en mensonterende loopgravenoorlog die talloze slachtoffers kost. De DadA-kunstenaars bespotten de bestaande kunst en de kunstwereld om zo de schijnheiligheid van de zogenaamde beschaafde wereld te bekritiseren. De Duitse Dada-ist en latere psychiater Richard Hülsenbeck verklaart: "De dadaïst acht het noodzakelijk om zich tegen de kunst uit te spreken, omdat hij door de oplichterij van kunst als morele veiligheidsklep heen kijkt.
Hoewel de DaDa beweging slechts kort bestaat, is haar invloed groot. Ze wordt opgevolgd door het surrealisme. Het surrealisme ontstaat rond 1920 in Frankrijk. Meer nog dan het Da-Da-isme wijdt het surrealisme zich aan het onbewuste als de wezenlijke bron van alle kunst. De theoretische onderbouwing van de beweging is in 1924 opgesteld door onder andere André Breton. Hij verklaart door de geschriften van Sigmund Freud het belang van het onderbewuste voor de kunst ontdekt te hebben. André Breton, een Frans dichter en essayist, oorspronkelijk beoefenaar van het Dadaïsme en later initiator van het surrealisme doet vijf jaar systematische proefnemingen met 'automatisch schrijven' en met hypnose. Het Manifest van het Surrealisme, dat hij in 1924 publiceert, is daarvan het resultaat. Breton beschrijft daarin het surrealisme als puur psychisch automatisme, waarmee de kunstenaar schriftelijk, mondeling of op andere manieren uitdrukking wil geven aan het werkelijke denkproces.
Jonge dichters, schrijvers, schilders die zich rond Breton (“de dictator van het surrealisme”) scharen, beoefenen het automatisch schrijven, ze schrijven hun dromen op en hetgeen dat ze in hypnose beleven. Ook gebruiken ze verdovende middelen om te kunnen ‘gehoorzamen aan het denken, zonder de inspraak van de rede’.
De exacte weergave van droombeelden of volledig willekeurige objecten in een ruimte geplaatst veroorzaken schrikreacties, verbazing of opwinding bij het publiek. Alleen door zulke heftige reacties en ervaringen, willen mensen overwegen hetgeen zij geloven los te laten. Dat is precies wat de surrealisten voor ogen hebben. Alleen dan kan men de waarden en normen van de maatschappij veranderen.
In Nederland is een van de belangrijkste Da-Da-isten en latere surrealisten de veelzijdige kunstenaar en architect Theo van Doesburg (1883-1931). Hij houdt zich onder meer bezig met schilderen, typografie, fotografie, film, mode en muziek. In alles probeert Van Doesburg zijn surrealistische doelstellingen en werkwijze toe te passen. Dat loopt niet altijd op rolletjes zoals zijn lezing op 20 december 1916 voor architectuurgenootschap Architectura et Amicitia in Amsterdam. Met een sigaar in zijn mond gebruikt Van Doesburg volgens ten minste één toehoorder, Henri Cornelis Verkruysen, onbegrijpelijke taal, waardoor deze zich tot Van Doesburg richt met de woorden "Ik heb hier nu den geheelen avond nonsens zitten aanhoren". Er volgt een 20 minuten durende discussie (over de vraag of de woorden concreet en abstract dezelfde betekenis hebben en zelfs een polemiek in het tijdschrift Architectura, die afgesloten wordt met een Van Doesburgs 'Repliek aan den heer H. C. Verkruysen'.
Vanaf 1912 schrijft Van Doesburg kunstkritieken, verhalen en toneelstukken in diverse tijdschriften. Onder het pseudoniem I.K. Bonset (Ik Ben Sot) publiceert hij het ‘automatisch’ geschreven gedicht ‘Het andere gezicht’.
HET ANDERE GEZICHT.
Organisme. — Mechanisme. — Wil. — Elk mechanisme is de vergeestelijking van een organisme. De wil is de activiteit, die de kracht van het universeele mechanisme overbrengt op het individueele mechanisme.
De Libido Sexualis is van den wil de drijfriem. De wereld is de voorstelling van den wil. Bij bestendiging van het organisme kan het leven zich niet evoleeren tot mechanisme. Het blijft in zichzelf impotent.
Ondanks de verheerlijking der willoosheid (afwezigheid van handeling) en der a-sexualiteit der godsdiensten (Brahma — Boeddha — Christus) heeft daartegenin en daartegenover de wereld zich als mechanisme doorgezet — of juister, zet zich als mechanisme door. Geestelijkheid realiseert zich slechts in de mechanische levenshouding. waarin zoowel de individualiteit als de sentimentaliteit (consequenties der organische levensopvatting) zijn opgeheven.
Roem. — Roem is schaamtelooze dankbaarheid.
Het gevaar van het dogma. — Kristus is de ver-naturaliseerde voorstelling van een beperkt begrip der waarheid, gezien vanuit één bepaald punt. Zonder dezen tot symbool gestolten vorm der „waarheid” was het kristendom nooit tot dogma voor het volk geworden. Dit dogma is thans de roede die men boven het volk houdt. En zoo wordt elk dogma een geesel en een belemmering om het leven in zijn waren vorm te veroveren. Laat dit een waarschuwing zijn tegen alle dogmaconserven.
Ja en Neen. — Neen is de sterkste prikkel tot ja.
Résurrection anonime. — De schilderkunst is de wedergeboorte van onszelf in de Olieverf.
Vloed van beelden stroomde aan….
Nu is het volgen van ongecontroleerde gedachtenstroom of droom niet weer zo nieuw als de Dada-isten en surealisten graag willen voorstellen. In Nederland en België vinden we meerdere voorbeelden van vroeger ‘automatisch schrift’.
In het literair tijdschrift ‘Den Gulden Winckel’ van 15 september 1908 geeft de Vlaamse dichter Karel van de Woestijne (1878 -1929) antwoord op de vraag bij welke stroming hij zich indeelt en hoe het dichten bij hem gaat: “… Symbolist ben ik nog, in zooverre ik denk in beelden. Moeilijk kan ik mijne gedachten uitdrukken, zonder dat ik een beeld oproep, dat benaderend mijne ideeën weergeeft. Redeneeren kan ik niet en zoo moogt ge het ontstaan van mijn werk voor zoo weinig intellectueel aanzien, dat ik geen aanhanger zou kunnen zijn van ’t zij welk systeem. Ik heb nooit vooropgestelde bedoelingen. Mijne verzen zijn wezen, ziels-essentie, in zooverre dat ik dikwijls onbewust produceer. De esoteristen zouden zeggen, dat ik ,,en trance” werk. Er groeien soms gedichten in mij terwijl ik slaap, in droom: zoo de Moeder en de Zoon….. ’s morgens noteer ik ze eenvoudig en schrijf alleen maar wat. Ik droom overigens heel veel en bezit zelfs het vermogen mijn dromen te regelen. Ofwel, terwijl ik wandel, valt er een woord uit de lucht; daaronder ordenen zich andere woorden……Op een zeker oogenblik heb ik een vers, mooiklinkend…..wat het gedicht gaat beteekenen, weet ik zelf niet. Is dat symbolisme? Zoo ja, dan ben ik ook een symbolist…”’. ‘…Voor mij heeft dus niets beteekenis, dan het beeld; hoe het beeld komt weet ik niet….Soms overvalt het me, dwingt het me, en dan moet ik schrijven….Laatst heb ik op eenen avond negentien bladzijden verzen geschreven, tot drie uur ’s nachts….ik kon niet uitscheiden….nauwelijks had ik een gedicht klaar, of een nieuwe vloed van beelden stroomde aan, nieuwe reeksen van rytmussen gonsden….daarna ben ik natuurlijk twee dagen ziek geweest, door de inspanning….Zoo gaat het geregeld met me…..”
Bloot uitstorten zonder zich te bekreunen
Ook Willem Bilderdijk heeft zo’n werkwijze. Hij onderscheidt dichtkunst en ‘poëzy’ en verklaart dat poezy ‘geen resultaat van ’t verstand is, maar “eene bloote uitstorting van ’t getroffen gevoel, dat ontboezeming noodig” heeft. De dichtkunst daarentegen is de vrucht van waarnemingen van de wijze, waarop dit gevoel zich onwederstanelijk uitstort, door het verstand tot een aan één hangend stelsel gebracht is. Dichtkunst is dus eigenlijk in daad en wezen niets anders dan nabootsing der Poëzy.’ Bilderdijk schrijft zijn gedichten dus in een soort trance. Poëzie is voor hem een uitbarsting van overstelpend gevoel. :Ik maak geen verzen, om verzen te maken, noch met eenig oogmerk of bedoeling, daar behoede mij de Hemel voor! maar uit behoefte om mij uit te storten, als ik eens geroerd of getroffen ben, en dan stort ik dat gevoel ook zoo uit, zonder mij des verder of anders te bekreunen; men leze ze dan in wat geest en met wat vooroordeel men wil. Ik ben ze kwijt, als een kraamvrouw de nageboorte.
(Bilderdijk, 1866, I, p. 182).
Uit recenter tijd hebben we van de Engelse schrijfter Ivy Litvinov het verhaal hoe ze is gekomen tot het schrijven van haar detective 'His masters voice'.
Ivy Litvinov geboren in Engeland trouwt 1916 met Maxim Litvinov, een invloedrijke Bolsjewiek en medewerker van Lenin. Als de revolutie uitbreekt verhuizen zij naar Moskou. Daar komt Ivy in contact met de Duitse neuroloog Oskar Vogt (1870-1959) Deze zou haar hebben voorgelicht over hypnose en haar meerdere keren behandeld hebben. Dit detectiveverhaal zou ze vrijwel geheel in hypnose hebben gedicteert.
Ook het boek ‘Tussen Don en Wolga’ van Gerlach (Oorspronkelijk ‘Die verratene Armee.” (1957) is met de hulp van hypnose tot stand gekomen.
Deze oorlogsroman over de slag om Stalingrad is door een Duitse soldaat geschreven in een Russisch krijgsgevangenenkamp. Tijdens diens vlucht raakt het manuscript verloren. Meer dan 10 jaar later is de auteur met hypnose geholpen de verloren tekst te herschrijven.
Automatisch schrift als therapeutisch hulpmiddel
S. Koster (1956) meent dat als een patient grote weerstand heeft om herinneringen op te halen automatisch schrift en tekenen kunnen helpen
Hij geeft een mooi voorbeeld van automatisch schrijven in diepe hypnose.
“….Een 52-jarige kantoorbediende, gewezen hofmeester van de grote vaart, is plotseling 3 dagen aan het zwerven gegaan. Bij zijn thuiskomst weet hij zich absoluut niets van zijn zwerftocht te herinneren, Ondanks uitvoerig vragen door zijn vrouw, zijn huisarts en mij zelf.
Dit is de 2de maal, dat hem dit gebeurde. De 1ste maal ongeveer 2 jaar geleden, had ik in 2 hypnosen de herinnering van de zwerftocht terug kunnen roepen.
Deze 2de keer lukte het maar gedeeltelijk in een lange hypnose, waarom ik hem, toen hij niet verder kwam met vertellen, naar mijn bureau liet gaan, hem in de diepe hypnose een potlood in zijn hand gaf en hem suggereerde, dat hij nu vanzelf op het papier de verdere herinneringen zou opschrijven, hetgeen toen vlot gebeurde onder eenvoudige aanmoedigende suggesties zoals „toe Maar”, „verder”. Aan de congestie van zijn hoofd bleek mij, dat de man bij het opschrijven van deze herinneringen in de hypnose in sterke emotie verkeerde. Dit automatisch schrift geef ik hier weer. Na afloop van de hypnose wist deze patiënt absoluut niet, dat hij geschreven had, de gehele hypnose was hij kwijt In zijn herinnering. Hij ontkende ten stelligste, dat het automatische Handschrift door hem geschreven was.
Ik liet hem direct daarna zijn eigen automatische schrift lezen en een klein stukje overschrijven. Hieruit (Plaat X, afb. 46) kan men zien, dat hij in waaktoestand een geheel ander handschrift heeft, dan het automatische handschrift der hypnose. Hij herinnerde zich nu ook in waaktoestand alles van zijn zwerftocht. Het bleek, dat deze man, die bij zijn kantoordirectie zeer goed aangeschreven stond wegens zijn beplichtsbetrachting, door zijn voortdurende hunkering naar zee, waar hij wegens zijn leeftijd niet meer naar toe kon, was gaan zwerven en daardoor een groot gewetensconfhct had gekregen. Bij dit conflict waren sterke schaamtegevoelens opgetreden, zoals de patiënt later zelf zeide, en de herinnering aan zijn morele misstap.
(het in de steek laten van zijn werk op kantoor), was hierdoor in het onderbewustzijn dusdanig geremd, dat deze zelfs in hypnose eerst
niet meer naar boven kwam, maar pas door middel van het automatische schrijven gewekt kon worden. Voor het herstellen van het psychische evenwicht is het natuurlijk van groot belang, dat een dergelijk herinneringshiaat wordt opgeheven. Ook voor het uitkeren van ziekengeld is in een dergelijk geval ophelderen van de ware toedracht noodzakelijk….”
Het is Koster’s ervaring dat een diepe hypnose het beste is maar dat in een lichte trance het automatisch schrijven ook lukt.
Daarvan getuigt zijn ervaring met een 26-jarige onderwijzer die geen orde kon houden in de klas. De jongens scholden hem zelfs op straat uit. De man had sterke minderwaardigheidsgevoelens. In de lichte hypnose, zonder amnesie na afloop, vertelde hij allerlei over het sterk autoritaire optreden van zijn vader. Hij mocht nooit iets, wat alle andere jongens wel mochten. Van de eerste klas van de Lagere school kon hij zich niet veel meer herinneren. Daarom bracht Koster hem door met regressie, terug tot de leeftijd van 7 jaar en liet hem noteren wat hem inviel.
De man schrijft: “…Vandaag heeft Juf mijn handen vastgebonden. Ze waren niet te vastgebonden, want ik had mijn handen van elkaar gehouden. Ik kon ze los maken voorr de juf dat deed en was daar erg trots op tegenover de andere kinderen.”
Koster concludeert uit deze schriftelijke weergave, dat ook de schooljuffrouw buitengewoon autoritair is maar dat daarmee de oorzaken van de minderwaardigheidsgevoelens wel opgespoord zijn maar de patiënt daardoor nog niet genezen is. Hij stopt na een paar weken de behandeling en verwisselt zijn onderwijzersloopbaan voor een kantoorbetrekking.
Koster benadrukt dat omdat de ontdekking van de oorzaak op zichzelf nog geen genezing biedt. De therapeut moet volgens hem de gehypnotiseerde patient doorlopend vertellen dat nu de oorzaak bekend is hij zich nu vrij naar genezing kan ontwikkelen. Hij is het met Wolberg eens dat het in het algemeen nutteloos is patienten in waakbewustzijn te vertellen wat voor belangrijke herinneringen hij in de hypnose heeft opgediept. Als de persoonlijkheid nog niet sterk genoeg is heeft een dergelijke mededeling geen genezende kracht en zou hem zelfs uit zijn relatieve evenwicht kunnen brengen en ernstig schaden.
Men kan in Hypnose eventuele verklaringen geven van het verband tussen de
klachten en het herinneringsmateriaal. Hiervoor is het lang niet altijd nodig, dat men de oorzaken werkelijk heeft opgespoord en zelfs is het niet altijd noodzakelijk, dat de oorzaken opgeheven zijn. Als de oorzaken nog bestaan en niet op te heffen zijn, is het zaak de patiënt in Hypnose suggestief te versterken, zodat hij er beter tegen bestand is.
Koster wijst erop dat men bij automatisch schrift in het algemeen slechts enkele moeilijk te ontcijferen woorden of letters in omgekeerde volgorde krijgt. In dezelfde of in een latere hypnose moet de patiënt dan de verdere uitleg van dat woord of die letters geven.
D
at de connotatie met het spiritisme zelfs in de tweede helft van de vorige eeuw nog bestaat blijkt uit het standpunt van B. Stokvis. Hij meldt over het automatisch schrift: “…Een andere modificatie van de hypnose is: Het laten opschrijven van de (minder bewuste) belevingen gedurende de hypnotische toestand. De oude hypnotiseurs (Janet, Sidis) spraken hier van het z.g. automatische schrift. Deze methode is in de laatste tijd weer tot leven gebracht door Erickson en Kubi en wordt door Cameron in zijn leerboek warm aanbevolen. Ik zie van dergelijke technische hulpmiddelen liever af, daar hierdoor de hypnose als medische handeling in discrediet zou kunnen worden gebracht…”
Piere Janet had daar enkele tientallen jaren eerder minder moeite mee. Hij was de pionier in het gebruik van hypnose en automatisch schrijven voor het ontdekken en exploreren van traumatische herinneringen (Van der Hart, 1991). Zo was de behandeling door Janet van patiënte Isabella succesvol. Via automatisch schrijven, hypnotische exploratie en observatie van Isabella gedurende haar hysterische aanvallen, brengt Janet het primaire idée fixe in kaart: Een ,,zeer gecompliceerde droom waarin dit arme meisje denkt dat ze haar zuster [ die enige tijd geleden inderdaad overleden was] vermoordt…”
Janet deed ook onderzoek naar de vraag of zoja in hoeverre de beide bewustzijnstoestanden elkaar beïnvloeden.
Ook moderne wetenschappers als Van der Hart & Boon (Van der Hart 1991) menen dat het schrijven door een patiënt, al dan niet in hypnose, behulpzaam kan zijn bij het verwerken van traumatische herinneringen. Wel moet de de patient weten waarover, waarom en aan wie hij moet schrijven en hij moet de schrijftaak redelijk zelfstandig kunnen uitvoeren.
Moderne audio- en visuele hulpmiddelen
De spiritistische beweging heeft in de loop van de tijd elk audio en visueel hulpmiddel aangegrepen om de boodschapper en hun berichten vast te leggen. Dankzij die ijver beschikken we over een enorm aantal foto’s en filmopnamen waarop, meestal wazige, beelden staan van geestverschijningen. Ook op geluidsopnamen zouden tussen een hoop gekraak en geruis boodschappen van de andere wereld te horen zijn. Opmerkelijk is dat naarmate deze technieken verfijnder zijn de spiritistische belangstelling minder wordt en verlegd wordt naar nieuwe vindingen. Behalve voor fototoestellen, filmcamera’s worden ook op grammafoonplaten zaken waargenomen die er niet op thuishoren. Bekend is de roddel over gezongen teksten waarop duivelse boodschappen, achterstevoren, verstopt zouden zitten. Overigens niet altijd zouden deze boodschappen van andere zijde komen. De Beatles, toen allen nog in leven, zouden met hun lied ‘Lucie in de Sky with Diamonds’ het gebruik van LSD willen bevorderen.
Het gebruik van de video door de Amerikaanse kunstenaar Matt Mullican is van een heel andere orde. Ook zijn optreden waarin hij werkt met hypnose lijkt in niets op de voorstellingen van varieté-hypnotiseurs.
Een videoopname van een aantal optredens van Mullican is te zien in het Van Abbemuseum in Eindhoven.
Het museum schrijft er over deze video: “…deze performances vonden plaats in 1996 op verschillende locaties in Brussel in aanwezigheid van publiek en werden geregistreerd op video. Het bijzondere is dat ze door de kunstenaar onder hypnose werden uitgevoerd. De performances hebben titels als Making a drawing as a 4 year old, Looking for a picture & entering a picture of Smelling. Het zijn een soort reconstructies van de identiteit van het subject, opgebouwd uit herinneringen en beelden die zijn opgeslagen in het onderbewustzijn en hier buiten het censurerend bewustzijn om worden aangesproken. Die nieuwsgierigheid naar wat er gebeurt als het kritisch bewustzijn buiten werking wordt gesteld is precies waar het Mullican hier om gaat.
De performances van Mullican maken deel uit van een omvangrijk en veelzijdig oeuvre. Vanaf midden jaren zeventig ontwikkelt hij een eigen kosmologie, samengesteld uit pictogrammen en beeldtekens die staan voor uiteenlopende kennissystemen. Deze tekensystemen past hij toe in tekeningen, posters, banieren, lichtbakken, plattegronden en sculpturen. Naast abstracte begrippen en categorieën is er plaats voor empirische kennis en subjectieve ervaringen. Deze laatste categorie onderzoekt hij vanaf 1978 in zijn performances.
Spiegelschrift
Wie op internet zoekt naar ‘automatisch schrijven’ komt al gauw in een zee van Jomandablauw gekleurde websites met veel open- en dichtgaande bloemen of een met enige regelmaat voorbij fladderende witte duif. Ook kan het voorkomen dat je cursor ineens verandert in een iritante zwerm sterren. Dat alles is nog niet occult maar gewoon techniek.
De teksten over het automatisch fenomeen op deze sites kennen een grote overeenstemming: Het automatisch schrijven doe je niet zelf, het is een overleden persoon of anderszins een entiteit van gene zijde die zich geroepen voelt jou tot gids te dienen en jouw hand gebruikt om zijn boodschapen op te schrijven. Op sommige sites wordt er onderscheid gemaakt met intuitief schrijven. Hierbij komt ook geen eigen wil te pas al lijkt dat wel zo. Hier heeft de enititeit van gene zijde de woorden in het geheugen van het medium geplant. De meeste webmasters zijn het er over eens: je moet niet lichtzinnig aan het automatisch schrijven gaan. Beter kun je eerst een deskundige en ervaren aardse gids zoeken die je kan behoeden voor onheil.
De aanhangers van deze leer betogen dat het schrijven helemaal buiten de wil van het medium gebeurt, onbewust dus. Soms schrijft de gids zelfs in spiegelbeeldschrift.
Nou is dat laatste inderdaad interressant. Probeer maar eens opzettelijk in spiegelschrift te schrijven. Het lijkt wel dat hoe meer je je best doet des te minder het resultaat wordt. Het kan ook anders.
Leg twee vellen papier voor je. Bij gebrek aan een behulpzame entiteit van gene zijde die je papieren voor je vasthoudt, moet je de vellen maar met een stukje plakband of een paar punaises vastzetten. Neem in elke hand een potlood of een gemakkelijk schrijvende pen. We gaan er voor het gemak even van uit dat je rechtsschrijvend bent. (Zo niet dan moet je het andersom doen) Zet het potlood in je linkerhand op het midden van het papier, rechts kun je op de gebruikelijk plek zetten als je wilt schrijven. Begin nu, voor het gemak, je naam te schrijven. Met beide handen. Je merkt dat het links niet zo gemakkelijk gaat, (daarom doen die gidsen het ook maar niet zo vaak) Je moet vooral zorgen dat het linkerpotlood contact met het papier houdt, schuinschrift is een voordeel.
Het resultaat ziet er uit alsof je voor het eerst je naam hebt geschreven.
Je ziet inderdaad bij kinderen die pas een paar letters hebben leren schrijven dat ze die nogal eens in spiegelbeeld schrijven.
Draai het papier nu om en houdt het tegen het licht. Als het goed is staat er nogal onbeholpen maar hopelijk enigszins leesbaar je naam. Ook hier geldt: oefening baart kunst. Dat van die kinderen maakt het extra interressant en wijst al in de richting van een wat aardser, en minder spectaculaire verklaring. We moeten het zoeken in de ontwikkeling en de samenwerking van de beide hersenhelften.
* Z.H.Gel: Zijne Hoog Geleerde
!
Literatuur
Alle ondergenoemde uitgaven zijn te raadplegen in de hypnose bibliotheek van Antiquariaat Lilith.
Bonset, I.K. / Theo van Doesburg, Het andere gezicht van I.K. Bonset, Meulenhoff, A’dam, 1983
Jos v.d. Branden, ‘Spiritisme’, 1865, Tooneelspel met zang in een bedrijf)
Crabtree A. Multiple Man Explorations in Possession and Multiple Personality, Collins,Toronto 1985
Edmonds, John W. and Dexter, George T. Spiritualism. With an Appendix by Nathaniel P. Tallmadge. 2 vols. New York: Partridge & Brittan, 1853 and 1855, 505; 542 pp.
Fromm, E. & R.E. Shor Hypnosis. Developments in Research and New Perspectives
1979 2e druk,
Hart O. van der Trauma, Dissociatie en Hypnose Handboek Swets & Zeitlinger, Lisse 1991
1e druk, blz.150.
Hart O. van der Trauma, Dissociatie en Hypnose Handboek Swets & Zeitlinger, Lisse 1995
2e druk, blz. 376.
J.D. van Herwerden Ervaringen en mededeelingen op een nog geheimzinnig gebied, 1874
Hull C.L. Hypnosis and Suggestibilty Appleton- Century, New York 1933
Koster S. Leerboek der hypnose F. van Rossen, Amsterdam 1956, 3e druk
Mühl A.M. Automatic writing, An approach to the unconscious Helix Press, New York, 1963, 2e druk
Myers W.H. De menschelijke persoonlijkheid De menschelijke persoonlijkheid en haar voortbestaan na den lichamelijken dood Wereldbibliotheek / 1922
Schrenck Notzing A. Fr. Materialisations-phaenomene ein Beitrag zur Erforschung der Mediumistischen Teleplastie, Ernst und Werner Gieseking, Bielefeld 1914
Stokvis B. Hypnose in de geneeskundige practijk De Tijdstroom,Lochem 1953, 2e druk
Wolberg L.R. Hypnoanalysis 1945
Berichten van gene zijde
(J.D van Herwerden, 1875)
Da-ist Theo van Doesburg op het vastenavondbal van het Bauhaus te Weimar, 1922.
Foto:Rijksdienst Beeldende Kunst, Den Haag.
Een stukje griffel om te schrijven op een lei.
Ivy Litvinov (1889-1977)
Schreef in 1930 in hypnose
detective ‘His Masters Voice’
Nora Sidgwick, wiskundige en
met haar man grondlegger van
de Society for Psychical Research.
Ze wilde frauduleuze mediums
Ontmaskeren en uitsluiten.
William Thomas Stead
(1849-1912)
Richtte ‘Bureau Julia’ op
voor commercieel’
‘automatisch schrift’ en
bemiddeling met geesten.
Gerbrandus Jelgersma
(1859-1942 )
hoogleraar psychiatrie
Snapte volgens spiritisten
niets van somnambulisme.
Karel van de Woestijne
(1878 -1929):
‘Er groeien soms gedichten
in mij terwijl ik slaap.’
Links: Automatisch schrift over verloren
herinneringen. Rechts: schrift in waaktoestand van dezelfde patiënt (Koster, 1956)
maandag 16 maart 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten